"Wetenschappers moeten uit hun schuurtje komen”
Door Aldo de Moor, CommunitySense
In dit interview met Tim van der Avoird, hoofd van het Centrum voor Kennistransfer van de Universiteit van Tilburg (UvT), worden de contouren geschetst van de vaak moeizame relatie tussen wetenschap en samenleving. Ook wordt ingegaan op de strategische rol die het Centrum voor Kennistransfer in de verbetering hiervan kan en zou willen spelen. “Ik zie het als de missie van het Centrum voor Kennistransfer om creatieve manieren te vinden om sociaal-economisch-wetenschappelijke verbanden verder uit te bouwen. We willen mensen met zeer verschillende achtergronden en capaciteiten met elkaar in gesprek brengen. Dát helpt de samenleving vooruit.”
Wat zijn de raakvlakken tussen wetenschap en maatschappij?
“Wetenschap en maatschappij zijn tot elkaar veroordeeld. De vele complexe vraagstukken uit de samenleving zijn alleen nog maar goed te beantwoorden met kennis uit de wetenschap. Hierbij gaat het niet alleen om de inhoudelijke kennis zelf, maar ook om de methodes voor het verkrijgen van inzicht. Omgekeerd is de wetenschap afhankelijk van de samenleving, niet alleen financieel, maar ook, zeker zo belangrijk, voor het verkrijgen van draagvlak. Ze kijkt met een vergrootglas naar de werkelijkheid, niet alleen om die te begrijpen, maar ook om die te beïnvloeden. Veel wetenschappers voeden bijvoorbeeld het politiek debat over sociale vraagstukken.
De samenleving heeft een dubbele houding ten opzichte van de wetenschap. Enerzijds ziet ze in dat de wetenschap vooruitgang brengt. Anderzijds staat ze er sceptisch tegenover, denk maar aan de vele `monsters van Frankenstein’ die ze heeft gebaard.
| Spanning tussen wetenschap en maatschappij “Genetische manipulatie van voedsel is een voorbeeld waar de spanning tussen wetenschap en maatschappij goed voelbaar is. Aan de ene kant zorgt deze zeer geavanceerde technologie ervoor dat gewassen minder kwetsbaar worden en kan ze dus een bijdrage leveren aan het oplossen van het hongerprobleem. Aan de andere kant hebben velen grote problemen met de onduidelijke en mogelijk gevaarlijke effecten van het sleutelen aan de grondslagen van de natuur. Een mooie illustratie hiervan was een uitzending van het TV-programma Keuringsdienst van Waarde. Daarin maakte de filmploeg, samen met een criticaster, een rondrit door de eindeloze, genetisch gemanipuleerde maïsvelden van Amerika. Bij een tussenstop vroeg de begeleider hun of hen niks opviel. Nee, alles leek er normaal uit te zien. Toen bleek echter dat de voorruit, die normaal onder de vliegjes zou moeten zitten na zo’n lange rit, helemaal schoon was. De introductie van deze technologie heeft dus allerlei onbedoelde, mogelijk zeer schadelijke bijeffecten.” |
Soms wordt de wetenschap bewust misbruikt door politiek en beleidsmakers. De samenleving kan op termijn echter niet voor de gek worden gehouden. De beste manier om misbruik, bewust of onbewust, te voorkomen is door niet pas op het einde van de rit de verschillende partijen bij elkaar te brengen. Op dit moment zijn het vaak de beleidsmakers die agenderen, de wetenschappers die onderzoeken en pas daarna, veel te laat, betrekken zij de bevolking erbij. Dit is een symptoom van een dieper probleem: de verkokering en tunnelvisie vanuit de ivoren toren van de wetenschap, waardoor de context van het onderzoek niet voldoende wordt bekeken. Net als beleidsmakers en politici hebben veel wetenschappers een sterk geloof in dat wat zij bedenken goed is en dat iedereen het daarmee eens moet en zal zijn. Echter, wat goed is, is buitengewoon subjectief. Ook voelen mensen zich door de vooruitgang vaak kwetsbaar, iets waar de wetenschap vaak te weinig voeling mee heeft. Wetenschappers moeten dan ook uit hun schuurtje komen. Het is de rol van de partijen uit de samenleving om wetenschappers duidelijk te maken wat de maatschappelijke, ecologische, sociale en gezondheidsgevolgen zijn van hun onderzoek. De wetenschap kan dan ook niet zonder een solide maatschappelijke inbedding, waarin wetenschap, politiek en samenleving elkaar intensief wederzijds beïnvloeden.”
| Wie bepaalt de onderzoeksagenda? “Wetenschappers denken vaak dat wetenschappelijk presteren genoeg is. Deze inspanning is noodzakelijk, maar niet voldoende. Wetenschappelijke instellingen als universiteiten zijn ten dode opgeschreven als ze zich niet bezighouden met maatschappelijke vraagstukken. Ze bestaan bij de gratie van wat politiek en beleid belangrijk vinden, denk bijvoorbeeld aan de vele urgente vragen rond klimaatverandering. Politici en beleidsmakers beginnen daarom steeds meer te benadrukken dat er rekenschap moet worden afgelegd, ze willen meer grip krijgen op de “wetenschappelijke vrijstaat”. Zo gaat er steeds meer geld van eerste naar tweede geldstromen, zoals die van NWO. De universiteiten reageren hierop verongelijkt. Het is inderdaad de vraag of het feit dat de politiek steeds meer de wetenschappelijke onderzoeksagenda bepaalt wel zo gezond is. De universiteiten hebben dit echter aan zichzelf te wijten, omdat ze het creëren van maatschappelijk draagvlak veel te lang hebben veronachtzaamd. Hadden ze in de jaren zestig tot negentig meer gedaan aan het zelf actief creëren van een maatschappelijk ingebedde onderzoeksagenda, dan was die hele geldstroomdiscussie nu veel minder aan de orde geweest.” |
Hoe kan de verhouding tussen wetenschap en maatschappij verbeteren?
“Het is belangrijk om eerder coalities te smeden tussen politiek, wetenschap en bevolking. Je moet alle belanghebbenden in een vroeg stadium bij elkaar brengen, zodat ze co-producenten van vernieuwingen worden. Er moet een sfeer ontstaan van het samen doen en respect hebben voor elkaars competenties, óók die van burgers. De politiek moet meer regisseur zijn: zich richten op het bij elkaar brengen van de juiste partijen in plaats van het ge- of misbruiken van de wetenschap om een vaststaand besluit te legitimeren.
Men zou veel meer in problemen dan direct al in termen van oplossingen moeten denken. Zo had men bij de Betuwelijn niet direct een spoorlijn moeten gaan uitwerken. In plaats daarvan had de vervoersproblematiek van de haven van Rotterdam in brede zin op de agenda moeten worden gezet, niet alleen als probleem, maar als uitdaging.
Het is verder belangrijk om voldoende balans in de bij de discussie betrokken partijen te bewerkstelligen, bijvoorbeeld voldoende voor- én tegenstanders van een spoorlijn. In feite is de oplossing minder dan de helft van wat nodig is. Het draagvlak is vaak veel belangrijker om de uit de wetenschappelijke bevindingen volgende, vaak pijnlijke beleidsmaatregelen te kunnen nemen. Door je te richten op co-productie krijg je dit draagvlak er automatisch bij. Het is trouwens een illusie om te denken dat co-productie altijd tot consensus leidt, verre van dat. Echter, bij co-productie is de acceptatiegraad van de uiteindelijke oplossing door de verliezers een stuk groter omdat ze niet het gevoel hebben dat deze `over hen heengekomen’ is.”
Hoe ziet u het contrast tussen fundamenteel en toegepast onderzoek?
“Het vraagstuk van het vergroten van de maatschappelijke betekenis van de wetenschap moet je niet vooral neerleggen bij individuele wetenschappers, maar bij hun instituten. Binnen die instituten kunnen mensen zich best specialiseren naar meer fundamenteel of meer toegepast onderzoek. Goede instituten bewegen zich als geheel echter in een breed spectrum tussen fundamenteel en toegepast onderzoek, waarbij de praktijk inspirerend kan werken voor de fundamenteel onderzoeker, en diep theoretisch inzicht stimulerend kan zijn voor de meer praktisch georiënteerde wetenschapper.
| Geen goed theoretisch onderzoek zonder praktische vrijheid “Google is een goed voorbeeld van een organisatie waar zwaar theoretisch onderzoek succesvol wordt gekoppeld aan zeer praktische kennis. Het bedrijf bestrijkt beide uiteinden van het spectrum en geeft bovendien veel vrijheid aan zijn personeel om creatief bezig te zijn. Zo mogen medewerkers bijvoorbeeld eenvijfde van hun tijd dingen doen die ze zelf interessant vinden in plaats van altijd alleen maar met het productie-gerichte onderzoek bezig te zijn. Bij universiteiten zou hier ook meer over nagedacht moeten worden. Zo zouden wetenschappers bijvoorbeeld gestimuleerd kunnen worden om twintig procent van hun tijd helemaal vrij te besteden aan, zeg, het opzetten van spin-offs.” |
Helaas staan veel instituten een strikte scheiding voor tussen fundamenteel en praktisch onderzoek. De meest succesvolle instituten ontwikkelen daarentegen brede teams die zijn samengesteld uit de juiste mix van fundamentele en toegepaste onderzoekers. Het aan de UvT verbonden Netspar is hiervan een goed voorbeeld. De soorten onderzoek hoeven elkaar helemaal niet te bijten, ook financieel niet. Uit toegepast onderzoek kunnen relatief veel middelen voortkomen, waar ook het fundamenteel onderzoek van kan profiteren. Veel wetenschappers werken niet voor een onafhankelijk instituut, maar zijn verbonden aan een faculteit. Hiervoor geldt eigenlijk hetzelfde: het onderzoek zou grotendeels moeten plaatsvinden in programma’s die de individuele wetenschapper overstijgen.
De geldstromen zijn belangrijke sturingsinstrumenten. De eerste geldstroom levert geld voor de publieke taak van de universiteit. De tweede, meer competitieve, geldstroom stimuleert fundamentele, hoogwaardige onderzoeksactiviteiten. De derde geldstroom richt zich op toegepast onderzoek, met direct maatschappelijk nut. Een goed instituut segmenteert niet naar geldstromen: het is ongezond als groepen volledig door één van de geldstromen worden gefinancierd, dan worden het eilanden. Een gezonde mix van geldstromen zorgt voor een kruisbestuiving van wetenschap, beleid en samenleving. Een ruwe richtlijn om dit te bereiken is in mijn optiek zo’n veertig procent eerste, dertig procent tweede en dertig procent derde geldstroom.”
Hoe groot is de maatschappelijke relevantie van het huidig wetenschappelijk onderzoek aan de UvT?
“Op individueel niveau zijn veel onderzoekers zeer actief. Het is tekenend dat hoogleraren van de UvT met zeer hoog wetenschappelijk aanzien zich ook bezighouden met maatschappelijk erg relevant onderzoek. Denk aan onder anderen Lans Bovenberg met zijn Netspar bij de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen, Marc Groenhuijsen bij de Faculteit Rechtswetenschappen en Fons van de Vijver bij de Faculteit Sociale Wetenschappen. Ter illustratie, deze laatste doet veel onderzoek naar integratie, segregatie en acculturatie in nauwe samenwerking met maatschappelijke partijen. Hieruit volgen toegepaste rapporten met concrete beleidsadviezen. Tegelijkertijd kunnen de grote hoeveelheden verzamelde gegevens prima gebruikt worden voor wetenschappelijk onderzoek van hoge kwaliteit.
De topinstituten van de UvT geven ook het goede voorbeeld. Zo probeert het eerder genoemde Netspar maatschappelijke partners actief te betrekken, niet alleen als financiers, maar ook bij het onderwijs. Daar worden mastercursussen niet alleen gegeven voor studenten, maar ook voor medewerkers van de maatschappelijke partners zoals pensioenfondsen en ministeries. Studenten lopen ook weer stage bij deze partners, waardoor de maatschappelijke inbedding van het onderzoek verder toeneemt.
De toppers en topinstituten daargelaten kan de maatschappelijke relevantie van het onderzoek aan de UvT nog aanzienlijk verbeterd worden. De slag dat mensen in onderling verband samenwerken is over het algemeen wel gemaakt. Echter, er wordt nog te weinig aandacht geschonken aan het georganiseerd binnen het héle spectrum van fundamenteel en toegepast onderzoek samenwerken. Veel onderzoeksprogramma’s gaan bijvoorbeeld nog niet genoeg over geldstromen heen. Ze moeten meer multi-dimensionaal zijn, zowel voor wat betreft inhoud, combinaties van geldstromen als vormen van onderzoek.”
Hoe draagt het Centrum voor Kennistransfer bij aan het verbinden van wetenschap en maatschappij?
“Het Centrum voor Kennistransfer heeft een groot aantal onderdelen, zoals de Wetenschapswinkel, het Loket MKB, het Ondernemerscentrum en Starterslift. Al die activiteiten zijn samen te brengen onder één noemer: het op een eenvoudiger manier toegankelijk maken van hoogwaardige wetenschappelijke kennis per doelgroep. Onze klanten zijn van velerlei pluimage: ministeries, gemeenten, actiegroepen, NGOs, startende ondernemers, het midden- en kleinbedrijf, soms zelfs het grootbedrijf.
Wat deze partijen zoeken kan heel verschillend zijn. Zo zal een ministerie vaak geïnteresseerd zijn in meer abstracte kennis, zoals relevante theoretische modellen. Een ondernemer daarentegen wil juist heel praktisch weten hoe een product het beste ergens in de markt gezet kan worden. Als onderzoeker, van eerstejaars student tot wetenschappelijk medewerker aan een topinstituut, moet je daarom bereid zijn je heel direct te verplaatsen in de vraagstukken uit de samenleving.
Wij willen oplossingen voor de genoemde uitdagingen concreet vormgeven, onder andere via de vele kleinschalige projecten die we samen doen met maatschappelijke organisaties. Een typisch voorbeeld is een onderzoeksproject over de emancipatie van allochtone vrouwen, in opdracht van het Centrum voor Buitenlandse Vrouwen in Tilburg. De vragende partij zetten we om de tafel met een student die het onderzoek uitvoert en een wetenschapper die het onderzoek begeleidt. Tijdens het traject voert deze coalitie samen het onderzoek uit. Op het eind komt er natuurlijk een onderzoeksrapport. We kijken echter ook altijd naar wat er nog meer met het onderzoek kan, bijvoorbeeld het organiseren van een symposium met maatschappelijke partijen of wetenschappers.”
| Nieuwe manieren van onderzoek “Interessant is dat onze manier van werken soms hele nieuwe manieren van onderzoek doen mogelijk maakt. Zo kwam er uit Hilvarenbeek een verzoek om een onderzoek te doen naar bepaalde sociale voorzieningen in het dorp. Hiervoor moesten duizenden vragenlijsten worden uitgezet, waar normaal absoluut geen budget voor is. De vragende organisatie hielp echter mee om de vragenlijsten persoonlijk huis aan huis uit te zetten en weer op te halen. Het gevolg was een inleverpercentage dat vele malen hoger was dan normaal het geval is bij dit soort onderzoeken. Hierdoor konden wetenschappelijk zeer uitgebreide analyses gedaan worden, wat heeft geleid tot zeer interessante publicaties.” |
Relevant onderzoek draait om de juiste vraagstelling. Hoe selecteert uw centrum de te onderzoeken vragen?
“Het vraagstuk moet in ieder geval interessant zijn voor de klant. Dit is meestal geen probleem, want ze komen er zelf mee. We letten er sterk op dat de vraagstelling ook wetenschappelijk interessant is. Met andere woorden, deze moet wat toevoegen aan de kennis van het vakgebied. De vraag moet ook onderzoekbaar zijn, dus vanuit de huidige stand van de wetenschap te analyseren zijn. Hóe het onderzoek gedaan wordt, bepalen de wetenschappers, dat is hun competentie. Ze moeten de resultaten echter zo rapporteren dat de maatschappij er direct wat aan heeft.
Communicatie van beide kanten is hier belangrijk: ook de vragende partij moet bereid zijn haar probleem zodanig te formuleren en toe te lichten dat de wetenschappers het probleem echt begrijpen. Vanaf het begin zeggen we tegen de klant zijn probleem niet in termen van aanpakken en oplossingen te formuleren, maar om zo goed mogelijk te proberen uit te leggen waar ze nu echt mee zitten. We vragen de klant om heel uitgebreid te onderbouwen waar ze tegenaan lopen, om in te kleuren wat er aan de hand is door het geven van voorbeelden.
We hameren er bij onze eigen mensen op dat ze luisteren. Tijdens het intakegesprek laten we het eerste half uur de klant aan het woord. We vragen hem om de context van het probleem te schetsen, proberen de `vraag achter de vraag’ te achterhalen. Vaak levert dit bij de klant al een heleboel inzicht op, nog voordat we er een wetenschapper bij gehaald hebben. Zo kan een gemeente bijvoorbeeld zeggen dat ze in een bepaalde wijk een probleem hebben en dat ze willen weten hoe ze de bevolking daar iets aan kunnen laten doen. Bij doorvragen blijkt echter dat het probleem niet zozeer bij de wijk of de bevolking ligt, maar dat er een organisatie- of aansturingsprobleem bij de gemeente zelf is. We geven de vragensteller op deze manier eigenlijk zowel een vergrootglas als een spiegel. Het vergrootglas helpt ze om te zien wat er aan de hand is, de spiegel om te kijken wat hun eigen rol daarin is. We vervullen op een bepaalde manier de rol van psycholoog: door goed te luisteren en kritisch te bevragen helpen we de klant in eerste instantie om zijn eigen probleem beter onder ogen te zien.”
Hoe voorkomt u dat wetenschappers de onderzoeksvraag teveel door hun beperkte theoretische bril bekijken in plaats van te zoeken naar een voor de klant bruikbare oplossing?
“Idealiter zou je verschillende wetenschappers naar hetzelfde probleem willen laten kijken. Bij kleinschalige projecten is dit meestal niet haalbaar. Maar toch, het wetenschappelijk laten belichten van het probleem door één onderzoeker helpt al enorm. Of daarbij theorie A of B gebruikt wordt, maakt vaak niet eens zoveel uit. Natuurlijk proberen we de wetenschapper te zoeken die het best past bij de aard van het probleem. Een empirisch probleem heeft een empirisch ingestelde wetenschapper nodig. Bij meer fundamentele vraagstukken past een meer theoretisch gedreven onderzoeker vaak beter. Bovendien helpt het dat we studenten inzetten. Die werken wel vanuit een bepaalde theoretische traditie, maar niet vanuit een sub-subtheorie. Studenten zijn vaak onbevangener en hebben een beter gevoel voor de aard van het maatschappelijk probleem. De behoeften van de klant zijn vaak vrij vaag gedefinieerd, de student zit daar meestal dichter bij dan de wetenschapper. Eén wetenschapper kan eigenlijk niet dé oplossing vinden voor de complexe werkelijkheid. Het antwoord moet dan ook vaak op een hoger niveau worden gedefinieerd dan een specifieke theorie, waar een student verrassend genoeg geregeld beter toe in staat is dan de gespecialiseerde wetenschapper.”
Hoe gaat u om met conflicten tussen klant en wetenschapper?
“Bijna alle conflicten komen voort uit een mismatch van verwachtingen. De meest wezenlijke taak is dan ook het op elkaar afstemmen van verwachtingen in elke fase van het onderzoek. Zitten de partijen op een lijn voor wat betreft de onderzoeksvraag en de –methode?Gaat de wetenschapper ermee akkoord dat de klant deuitkomsten op een bepaalde manier interpreteert en gebruikt? Hebben en houden beide partijen dezelfde verwachtingen tijdenshet hele onderzoek? Soms duurt bijvoorbeeld de gegevensverzameling veel langer dan verwacht. Dat moet je op tijd kenbaar maken aan de klant.
Soms is een klant het niet eens met de uitkomst van het onderzoek. Zo was er bijvoorbeeld een organisatie die de speelvoorzieningen in het dorp niet voldoende vond. Na onderzoek bleken de voorzieningen echter aan de normen te voldoen. Een ander geval betrof een bewonersgroep die de aanpak door de gemeente van de verkeersproblematiek niet milieuvriendelijk genoeg vond. Ook hier bleek de aanpak binnen de normen te vallen.
De waarheidsvinding staat voor ons altijd centraal. Ondanks dat de uitkomsten een klant niet altijd bevallen, blijkt deze toch vaak begrip voor onze positie te hebben. Zo gaf een klant in een evaluatie aan met de uitkomsten niet gelukkig te zijn, met het gevolgde proces echter wél. Wat oneerbiedig gezegd: als een klant per se een gewenst antwoord wil, dan moet hij maar naar een commercieel bureau gaan. Uiteindelijk heeft de klant daar echter niks aan en dat zeggen we ook.
Dit raakt aan een algemener punt: burgers moeten meer leren respecteren dat politiek en beleidsmakers vaak lastige besluiten moeten nemen waarmee niet iedereen tevreden gesteld kan worden. Omgekeerd moeten wetenschappers meer gaan beseffen dat haalbaarheid van de voorgestelde oplossing cruciaal is. Soms heb je nu eenmaal veel meer aan een technisch of economisch minder idee wat haalbaar is, dan een theoretisch optimaal alternatief dat draagvlak ontbeert. Een goede communicatie tussen de betrokken partijen is cruciaal om elkaar hierin te vinden.”
Ondernemerschap helpt de maatschappelijke relevantie van wetenschappelijk onderzoek vergroten. In 2005 zei u nog dat de UvT achterliep met het stimuleren daarvan. Hoe ondernemend is de UvT inmiddels geworden?
“Een ondernemende universiteit kan heel veel invullingen hebben. Op haar website profileert de UvT zich al prominent als ondernemend, maar dat is toch nog wat teveel gezegd. Op het gebied van ondernemerschap in onderwijs en onderzoek is al het een en ander bereikt, maar het kan nog veel beter.
Studenten die een eigen bedrijf willen beginnen, kunnen we al goed helpen. Zo is er het Ondernemerscentrum voor startende ondernemers en Starterslift, dat helpt om ideeën op te sporen, funding te zoeken of zelfs te geven en mensen te coachen.
De wetenschappelijke instituten kunnen nog meer de maatschappij ingaan en maatschappelijk relevant onderzoek doen en daarmee bijvoorbeeld geld uit de derde geldstroom halen. Instituten als Netspar geven het goede voorbeeld. Instituten en programma’s die het hele spectrum van fundamenteel tot toegepast onderzoek geïntegreerd bedienen zijn daarentegen vaak nog ver weg. De universiteit zou in ieder geval meer kunnen promoten dat veel van de meest gerenommeerde onderzoekers maatschappelijk sterk betrokken zijn.
Een andere belangrijke invulling betreft het onderwijs. 98 procent van de afgestudeerden gaat niet de wetenschap, maar de maatschappij in, waar ze vaak bij ondernemingen werkzaam zijn of ermee te maken krijgen. Nu wordt studenten op de universiteit vooral bijgebracht wat ze moeten weten als ze onderzoeker of docent worden. Wat ga je studenten echter leren om ze ondernemender te maken? Hierin zijn allerlei gradaties mogelijk.
| Leren ondernemen “Er is nu bij de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen een vak Ondernemerschap en Economie van het MKB, waarin studenten een bedrijfsplan maken samen met iemand uit het midden- en kleinbedrijf. Je hoeft echter zeker niet alleen te denken aan specifiek onderwijs in ondernemerschap. Het gaat veel meer om hoe je op een meer ondernemende manier onderwijs verzorgt. Zo kun je stage lopen en onderzoek doen in een bedrijf verplicht stellen. Ook in de bachelor- en masterprogramma’s zelf moeten studenten op basis van de praktijk bezig zijn met hoogwaardige kennis. Zo kun je studenten in een vak laten werken met échte casussen uit het bedrijfsleven, geïntroduceerd door een gastdocent uit een onderneming. Als mensen uit het bedrijfsleven deze vakken ook volgen, komen ze met andere vragen en perspectieven dan de gemiddelde student. Je moet dus proberen een cultuur te creëren waarin externe mensen niet langer als “Fremdkörper” worden gezien. Verder hebben we onlangs een projectvoorstel ingediend, samen met de TU Eindhoven, voor een Brabants Centrum voor Entrepreneurship, waar technische en bedrijfskundige studenten samen aan de slag kunnen. Via dit centrum gaan we stages stimuleren en meer aandacht genereren in bestaande vakken voor ondernemerschap, bijvoorbeeld via interessante casussen. Verder komen er meer specifiek op ondernemerschap gerichte vakken en wordt het opzetten van spin-offs gestimuleerd. Als dit gaat lopen, wordt het onderwijs echt veel ondernemender.” |
Hoe ziet u de toekomst van het Centrum voor Kennistransfer?
“Er blijft altijd een rol voor een bemiddelaar tussen wetenschap en samenleving. Ooit waren we een splintertje binnen de universiteit, met een beperkt aantal doelgroepen, vraagstellingen en contacten. We bestrijken nu alle wetenschappelijke terreinen. We bemiddelen van eerstejaars-projecten tot afstudeerstages voor studenten en grootschalig contractonderzoek voor instituten. We zijn een steeds meer omvattende rol gaan spelen en zullen die rol verder blijven ontwikkelen. Uit de vele reacties die we krijgen blijkt dat we hierom steeds meer worden gewaardeerd, binnen, maar vooral ook buiten de universiteit.
We zullen onze visie over het belang van het verbinden van wetenschap en samenleving verder handen en voeten blijven geven, zowel voor de universiteit als geheel, als voor haar diverse onderdelen, zoals faculteiten, wetenschappelijke instituten en onderzoeksprogramma’s. We zullen doorgaan met het ontwikkelen en ondersteunen van nieuwe vormen van samenwerking tussen wetenschap en samenleving. We moeten zorgen dat onze dienstverlening actueel blijft. Een goed voorbeeld hiervan zijn de zogenaamde innovatievouchers, die wij als enigen namens de universiteit mogen afhandelen. Deze vouchers zijn waardecheques die ondernemingen mogen inzetten voor de financiering van onderzoek naar vraagstellingen waarbij een universiteit hen kan helpen.
Wetenschap, bedrijfsleven, zorg, politiek, het is allemaal mensenwerk. Ik ben ervan overtuigd dat die organisaties, groepen en samenlevingen succesvol zijn die op hoogwaardige menselijke manier met elkaar omgaan. Niet het Amerikaanse streven naar materiële welvaart, maar het Europese ideaal van welzijn moet het richtsnoer zijn.
| Een Europese wetenschap “De wetenschap wordt Amerikaanser, bijvoorbeeld door de sterke nadruk op toppublicaties. We kunnen – en moeten – echter wel proberen er een Europese draai aan te geven, bijvoorbeeld in de keuze en benadering van onderzoeksvraagstukken. De Amerikaanse samenleving is sterk economisch gedreven. Dit genereert succesvolle voorbeelden van de beste wetenschap en de beste bedrijven. Het probleem zit hem daar echter in het sociale aspect: de maatschappelijk zwakkeren zijn volledig afhankelijk van de liefdadigheid en ad hoc sociale vangnetten. In Europa willen we meer evenwicht tussen het economische en het sociale. We benadrukken hier meer de sociale verbanden en de samenwerking. Kijk naar Finland: dat land heeft laten zien dat het mogelijk is om innovatief en competitief te zijn en tegelijkertijd hoogwaardige sociale voorzieningen te hebben. Maar ook in Brabant zien we een soortgelijke uitgangssituatie: veel succesvolle, innovatieve bedrijven, goed scorende kennisinstellingen, maar ook sterke sociale verbanden, zoals een rijk verenigingsleven.” |
Ik zie het als de missie van het Centrum voor Kennistransfer om creatieve manieren te vinden om sociaal-economisch-wetenschappelijke verbanden verder uit te bouwen. We willen mensen met zeer verschillende achtergronden en capaciteiten met elkaar in gesprek brengen. Dát helpt de samenleving vooruit.”
