Tilburgse promovendi die uitvliegen naar de allerbeste universiteiten van de wereld: goed voor hen én voor de universiteit. Economie heeft 'top placements' tot beleid gemaakt. "Een goed proefschrift is noodzakelijk, maar lang niet voldoende."
Mieke Fiers
In de lift naar beneden kan hij een glimlach niet onderdrukken. Dit is toch eigenlijk gekkenwerk: 37 sollicitaties in 3 dagen. Steeds een half uurtje de tijd om te laten zien wat je waard bent. Daarna tien minuten rennen naar het volgende gesprek, in het volgende hotel, waarin weer een heel stel wijze mannen en vrouwen met aftastende blik en kritische vragen wachten. En toch, hij heeft er een goed gevoel bij. Zijn presentatie klopt, zijn paper staat als een huis, en - erg belangrijk - zijn referenties glanzen. Een plek op een goede universiteit is zo goed als zeker.
Deze passage komt niet uit het boek over het leven van Ralph Koijen. Zo'n boek bestaat namelijk niet. Maar de eerste paar hoofdstukken - zijn leven tot nu toe - zouden lezen als een jongensboek. Het verhaal van Koijen (1981) begint met een bachelorstudie Econometrie aan de Universiteit van Tilburg (een kleine stad in het zuiden van Nederland). Het avontuur heeft vooralsnog een hoogtepunt bereikt met een betrekking op de Graduate School of Business van de University of Chicago. Na de 37 sollicitaties op de job market, kreeg hij 20 uitnodigingen voor vervolggesprekken, op de universiteiten ter plaatse. Koijen had uiteindelijk de keuze uit tien topinstituten. Hij koos dus voor Chicago, dé allerbeste plek voor academici op het gebied van Finance. Woensdag 16 april hoopt hij in Tilburg op dit vakgebied te promoveren. Daarvoor komt hij wel even over vanuit New York, waar hij aan de NYU Stern een jaartje gastonderzoeker is.
Het verhaal van Ralph Koijen is uitzonderlijk en extreem. Toch zijn er wel meer Tilburgse promovendi die een baan krijgen aan de meest prestigieuze universiteiten. Top placements, noemen ze dat bij de Faculteit Economie en Bedrijfswetenschappen (FEB). En wil de faculteit aansluiting vinden of houden bij de crème de la crème van de wetenschap, zouden er meer top placements moeten komen. Dat scheef ook commissievoorzitter Xavier Martin twee jaar geleden in het evaluatierapport van de facultaire CentER Graduate School. Datzelfde rapport zorgde ervoor dat het PhD-programma van Business werd verbeterd, net als de begeleiding van PhD's bij Economie. Ook kwam er een speciaal beleid voor top placements.
"De basis is natuurlijk een prima programma, met uitstekende begeleiding en opleidingsmogelijkheden", begint Dick den Hertog, hoofd van CentER. Maar met een inhoudelijk sterk dossier alleen kom je er niet: "Een goed proefschrift is een noodzakelijkheid voor een top placement, maar zeker niet voldoende."
En dus wordt er geoefend in presentaties tijdens seminars. Maar er zijn ook bijeenkomsten met tips & tricks voor de 'markt' van topinstituten. Kandidaten bereiden hun sollicitaties tot in de puntjes voor, waarbij het hele gesprek wordt geënsceneerd en vervolgens geëvalueerd.
Natuurlijk speelt ook het netwerk van de promotoren een rol. Net zoals hun aanbevelingsbrieven.
In het mapje dat Ralph Koijen half november naar tachtig universiteiten toestuurde, zat een paper, aanbevelingen van zijn eigen promotoren en van twee Amerikaanse professoren. Die brieven zijn cruciaal. Hij rekent voor: "Chicago krijgt vijfhonderd van die pakketjes, tweehonderd uit de VS, tweehonderd uit Azië en honderd uit Europa. Er zijn drie plaatsen te vergeven. Het is natuurlijk onmogelijk om alle papers te beoordelen op kwaliteit. Voor een eerste schifting zijn daarom snelle checks nodig." De juiste referenties, de juiste namen, de juiste cv. "De meeste pakketjes uit Tilburg vallen dan al af."
Eigenlijk moeten ze je gewoon kennen. Of je promotor. Of die andere connectie kennen die een enthousiaste aanbevelingsbrief voor je wil schrijven. Je netwerk is goud waard.
Om in dit 'gesloten' circuit binnen te komen, moedigt CentER haar promovendi aan om internationaal rond te snuffelen. Om naar seminars te gaan, naar conferenties, maar ze mogen ook drie à vier maanden als gastonderzoeker naar een buitenlands topinstituut op kosten van de faculteit. Goed voor hun cv, goed voor hun netwerk, maar ook goed om de atmosfeer te proeven.
Drie maanden is een begin, maar het is te kort om contacten te leggen, meent Koijen. "In de VS is het niet gewoon voor professoren om met studenten te werken. Er zijn Deense universiteiten die hun promovendi een jaar wegsturen. Dat is logischer: dan kun je het eerste semester een vak volgen, en het tweede semester over onderzoek gaan praten." Of een ander plan van hem: ga een uitwisselingsprogramma aan met een topschool.
Voor Koijen smaakte zijn verblijf op Duke University in ieder geval naar meer. Hij bleef nog een jaartje. En vervolgens nog een jaar aan NYU Stern. "Ik heb vanuit Tilburg geen enkele weerstand gevoeld."
Op de Universiteit van Tilburg staat FEB alleen in haar beleid op het actief ondersteunen naar de topbanen. De overige faculteiten sluiten aan bij academische arbeidsmarkten die heel anders van aard zijn. Zij helpen hun promovendi wel bij het plannen van hun carrière. Maar dat gaat over het algemeen primair via de promotor. De Promovendiraad, dat de belangen van promovendi bij de Sociale faculteit behartigt, laat weten juist bezig te zijn met het pleiten voor meer cursussen, onder meer op het gebied van carrièreplanning.
Dat de nadruk op top placements zo speelt bij Economie heeft vooral te maken met ambitie om aan te sluiten bij het 'Amerikaanse' systeem. En dus zet CentER in op aanmoedigen, ondersteunen en faciliteren; maar het heeft niet alles in de hand.
In de praktijk blijken nog heel wat andere zaken mee te spelen wanneer het gaat om de vraag wat de promovendus na het 'Hora est!' gaat doen: eventuele partner en kinderen, familie en vrienden, het weer, de Amerikaanse/Europese manier van leven, een gevoel van veiligheid. "Ik moet er niet alleen werken, maar ook wonen", vat de Israeliër Leon Zolotoy samen. Hij hoopt 25 juni te promoveren, en heeft een baan geaccepteerd aan de Melbourne Business School. "Een fijne plek", beschrijft hij. "De School heeft veel banden met de industrie, deze staat daarmee buiten de academische bubble." Hij heeft een paar maanden rondgekeken op de prestigieuze NYU Stern. En als hij echt zou willen, zou hij op een universiteit als die terechtkunnen, schat hij in. Maar hij wil niet in New York wonen. "En dan heb ik het nog niet eens over de druk van zo'n topplek; de paardenrace om te publiceren. Nee, dat is niks voor mij."
"De beslissing om voor een top placement te gaan, blijft natuurlijk aan de promovendus zelf", zegt Dick Den Hertog. En het zou ook een wonder zijn wanneer iedereen op zo'n plek aan de slag zou kunnen. Een topuniversiteit als het Franse Insead zit op 15 tot 20 procent. De Economische faculteit van Tilburg houdt eenzelfde streefcijfer aan. Eén op de zes gepromoveerden dus.
Heel eerlijk gezegd is die ene persoon de faculteit wél net iets dierbaarder. Het 'merk' Tilburg University krijgt met een top placement een boost, gelooft FEB. "Nu ik naar Chicago ga, weet iedereen daar dat vanuit Tilburg ook goede studenten komen. Zo werkt het", zegt Koijen. En dat trekt weer heel goede promovendi naar hier. Die dan ook weer op de betere plekken terechtkomen. En zo wandelende 'reclame' zijn voor Tilburg. Naam maken met jonge talenten biedt toegang tot het door Amerikaanse universiteiten gedomineerde systeem. Het is bovendien een relatief goedkope manier. De uitgaven voor promovendi zijn namelijk een schijntje in vergelijking met wat het kost om hen in een later stadium van hun carrière naar Tilburg te halen.
Het is niet alleen goed voor de naam van de universiteit, ook voor het netwerk. Het lijntje met 'onze man in Chicago' is kort. Zeer kort als het aan CentER ligt. Daarom krijgt iedereen met een top placement een extramural fellowship van het onderzoekscentrum aangeboden. Lidmaatschap op afstand, zeg maar. Mét de uitnodiging om jaarlijks twee weken naar Tilburg te komen.
"Gebruik de Tilburgers die er zitten", beveelt ook Koijen aan. "Andere Europeanen zijn daar goed in. Als er bijvoorbeeld één Italiaan zit, kun je er bij wijze van spreken op wachten tot de halve onderzoeksgroep Italiaans is. We hebben nu binnen finance vier jonge mensen op heel goede plekken zitten. Dus wie weet."
[MF]