Ze is in het echt minstens zo stralend als op televisie. En wanneer Margriet Sitskoorn praat over haar passie, het menselijke brein, werkt dat aanstekelijk. Niet gek dus dat de populair-wetenschappelijke pers dol is op deze hoogleraar Klinische Neuropsychologie.
Mieke Fiers
Elke ochtend is ze te zien op tv, bij Max Geheugentrainer. Ze levert wetenschappelijk commentaar bij shows als De Nationale IQ-test en Get smarter in a week. Ze schrijft een vaste column voor 'nog maar' twee bladen en populair-wetenschappelijke boeken. Eind deze maand komt haar derde uit: Passies van het brein. Haar eerste, Het maakbare brein, beleeft de twintigste druk. Niet voor niets is ze in de UvT-Mediatop (zie Univers 16) de hoogste nieuwe binnenkomer op numer-15.
"Het brein is hot", merkt Margriet Sitskoorn (1966) op. "Laatst had ik iemand aan de telefoon die zei 'oh, dat had mijn hippocampus niet goed opgeslagen'." Een brede lach verschijnt. Ze vindt het leuk, al die aandacht voor 'haar' vakgebied. Maar het kost ook heel veel tijd. "Mijn echte werk is natuurlijk de wetenschap."
Vrijdag 15 januari sprak ze haar oratie als hoogleraar Klinische Neuropsychologie. Dat vakgebied draait om de relatie tussen hersenen en gedrag. Lange tijd concentreerden neuropsychologen zich op patiënten met hersenletsel en hoe dat hun gedrag verandert.
Sitskoorn kijkt ook naar hoe de omgeving het brein verandert. Dat principe wordt goed zichtbaar wanneer je in een compleet andere cultuur bent. "Toen ik in Irian Jaya was, voelde ik me een volkomen kluns. Kinderen gooiden daar, terwijl je met ze stond te praten, met een steentje een voorbij schietende rat dood. Bijna zonder te kijken. Het moge overduidelijk zijn dat ik dat niet kan. Met mijn vaardigheden kan ik me goed redden in de maatschappij waarin ik leef. Maar daar kon ik niks wat daar belangrijk is: geen vuur maken, dus geen water koken en ook geen ongedierte doodgooien."
Maar het brein is altijd in interactie met de omgeving, het kan zich tot op zekere hoogte aanpassen. Sitskoorn is gefascineerd door deze zogenoemde plasticiteit. Door de hersenen in een andere omgeving te 'trainen', kun je ze beïnvloeden, en daaruit mondt weer een ander gedrag. Sitskoorn en haar team hebben bijvoorbeeld een computerspel ontwikkeld om de aandacht te trainen van patiënten met een hersentumor.
"Er kan nog meer", bezweert Sitskoorn. "Niet alleen bij patiënten, ook gezonde mensen kunnen hun hersenen trainen om hun gedrag te verbeteren." Het klinkt als Braintrainer. Weer een brede lach. "Dat is niet evidence-based. De werking is niet wetenschappelijk bewezen. Maar het idee erachter is niet slecht. Het moet echter wel bewezen worden. We hebben nu een project lopen met Philips, zij willen een welzijnsverhogend product ontwikkelen op basis van wetenschappelijk onderzoek."
De neuropsychologe durft zelfs nog wel een stapje verder te redeneren. Waarom zou je de kennis die we hebben over de hersenen niet kunnen gebruiken om maatschappelijke problemen aan te pakken? Wereldproblemen als oorlog, armoede en overconsumptie worden veelal veroorzaakt door menselijke eigenschappen als hebzucht, agressie en een gebrek aan inlevingsvermogen. "We weten bijvoorbeeld dat de empathienetwerken in het brein te beïnvloeden zijn."
Verbeter de wereld, verander de hersenen, dat idee. Eng is het zeker niet, meent Sitskoorn. "Communicatie is altijd manipulatief. De één wil iets van de ander." Het is eerder een vorm van opvoeden. "In ons onderwijssysteem richten we ons vooral op zaken als lezen en schrijven. Je zou ook kunnen inzetten op het stimuleren van pro-sociaal gedrag, waardoor we een socialere maatschappij kunnen krijgen." Via een tentoonstelling over begrip voor dementie, waaraan ze werkt samen met enkele Tilburgse organisaties, hoopt ze onder andere deze gedachte uit te dragen.
Die stap, van wetenschap naar breed publiek, is voor haar tweede natuur. Maar zou ze niet een nog betere wetenschapper geworden zijn wanneer ze zich alleen daarop concentreerde? Ze aarzelt kort. "Voor mij is de relatie wederkerig. Aan de ene kant is al mijn populaire werk gebaseerd op de wetenschap. Maar ik doe bij dat populariseren weer inspiratie op voor mijn wetenschappelijke werk. Het dwingt mij om op een andere manier over de wetenschap na te denken."
Sitskoorn studeerde Psychologie in Tilburg. Later promoveert ze in Nijmegen op onderzoek naar hoe baby's de wereld waarnemen. Ze volgt opleidingen in het Henry Ford Hospital in Detroit, werkt aan het Universitair Medisch Centrum Utrecht en is directeur van het NeuroCognitief Centrum Nederland. Ze kwam graag terug naar Tilburg. Neuropsychologie is in Utrecht op het ziekenhuis namelijk onderdeel van de medische faculteit, terwijl Sitskoorn als onderzoeker van gedrag zich meer thuis voelt bij de sociale wetenschappen.
Haar terugkomst kent echter een valse start. Vlak voor de bekendmaking wordt ze beticht van plagiaat. In een populair-wetenschappelijk overzichtsartikel missen de nodige bronnen. Geschrapt op verzoek van het blad, luidt haar uitleg. Het blijft woord tegen woord, aangezien het blad, ondanks dat het daartoe is verplicht, geen archief heeft bijgehouden. Sitskoorn heeft ook niks meer op papier. Na een uitspraak van de Universiteit Utrecht gaat ze in beroep bij de landelijke commissie wetenschappelijke integriteit. Als wetenschapper blijft ze, ook al is de intentie goed, zelf verantwoordelijk, concludeert deze.
Eerst stelt Sitskoorn haar komst enkele maanden uit, maar nog voor de uitspraak van het hoger beroep, komt ze in dienst. Omdat ze geen kwade intenties zou hebben gehad, krijgt ze het volledige vertrouwen van het Tilburgse universiteitsbestuur.
Sitskoorn is inmiddels met hele andere dingen bezig. Dat computerspel en het programma dat de aandacht en het geheugen van patiënten traint bijvoorbeeld, daar was ze toch niet helemaal tevreden over. "Het werkt wel, maar een behandeling 'werkt' wanneer de groep gemiddeld beter scoort dan eenzelfde groep die het programma niet heeft doorlopen. Bij ons was bij zestig procent het geheugen en de aandacht verbetert. Maar dat betekent nog altijd veertig procent geen baat heeft gehad bij het programma. Dat is voor die mensen zonde van de tijd en de energie die ze erin hebben gestopt. Je zou meer zekerheid moeten hebben. Ik vind dat je zou moeten kunnen zeggen: 'dit programma werkt voor ú'."
Daarom hebben ze de data van de onderzoeken opnieuw bekeken om er een voorspeller uit te abstraheren. Klinische kenmerken, persoonlijke kenmerken, eerdere behandelingen - bij wie werkte het het beste? "Ik roep collega-wetenschappers op om hetzelfde te doen." Bij haar programma bleken jongvolwassenen het meest te profiteren. "Dat betekent dat we voor ouderen andere programma's moeten ontwikkelen." [Mieke Fiers]